Verzengend

in

Strand. 34 graden. Twee personen in een ligstoel.

A

Denk je dat de zomer het ook weleens zat is?

B

Wat?

A

Dat eindeloze rouleren? Telkens weer de plek innemen van een ander, tot zijn plek weer van hem wordt gestolen?

B

Is de zomer een man?

A

Grammaticaal gezien. 

B

Ik stel me de zomer altijd als een vrouw voor.

A

Dat komt omdat seizoenen in de beeldende kunst vaak als vrouw worden uitgebeeld. Net als de kunsten zelf. En landen ook,
maar alleen als ze in nood verkeren.

B

Verkeert de zomer in nood?

A

De zomer niet. De aarde wel. Moeder Aarde, ook een vrouw. 

B

Moeder Aarde moordt ons allemaal uit als het moet. Met de zomer als haar meest bloeddorstige jachthond.

A

Maar is de zomer dan een reu of een teef?

B

Ach, wat maakt het uit. We worden hoe dan ook verslonden.

Ze proosten.