
Pygmalion was een succesvolle beeldhouwer die op Cyprus woonde. In zijn leven miste alleen nog maar de warmte en aanwezigheid van een vrouw. De vrouwen van Cyprus waren echter niet vatbaar voor romantiek, die leefden zoals zij het wilden zonder enig respect voor de mensen om hen heen, of voor zichzelf. Pygmalion had zich erbij neergelegd, had de vrouwen afgezworen, maar daarmee bleef zijn huis nog steeds stil en zijn bed nog steeds leeg. Nu was hij bezig met een nieuw werk uit een glanzend ivoorkleurig blok marmer. Hij dacht niet na, ging aan de slag, en zijn handen schiepen waar zijn hoofd maar aan bleef denken. En na dagen werk was ze daar dan. Het mooiste beeld dat hij ooit had gemaakt, mooier dan hij voor mogelijk had gehouden. Ze bezat een combinatie van alle aantrekkelijke kenmerken die een vrouw kon bezitten, maar nooit aan één vrouw tegelijk waren gegeven. Pygmalions kunstenaarsschap was zo uitzonderlijk, dat een voorbijganger het kunstwerk niet als kunst zou herkennen: deze zou denken dat daar een echte vrouw stond, bleek maar levend. Pygmalion kon uren naar haar kijken en voelde dan een brandend gevoel in zijn borst wat hij ten onrechte herkende als trots. Hij liet zijn handen over haar koude ledematen glijden, hij maakte zichzelf wijs dat dit nog op zoek was naar imperfecties. En op een dag deed hij wat hij stiekem al weken had willen doen; hij kuste haar perfect gevormde lippen. Hiermee gaf hij eindelijk aan zichzelf toe: hij voelde geen trots, zijn handen zochten niet naar imperfecties; hij was smoorverliefd op zijn eigen beeld.
Na die eerste kus kon Pygmalion zich niet meer inhouden. Hij bracht haar geschenken, kleding, sieraden, en legde haar voorzichtig op zijn zachte bed neer. Hij kuste haar, beroerde elk deel van haar bleke lichaam maar liet zich niet meeslepen in zijn aanraking, uit angst om haar huid te kneuzen. Het festival van Venus, beschermgodin van Cyprus, brak aan. Zich manoeuvrerend tussen plassen bloed van geofferde koeien, begaf hij zich naar haar tempel. Daar fluisterde hij: ‘Venus, geliefde Godin, als jij alles kan geven wat een mens zou kunnen willen, schenk mij dan alsjeblieft een bruid zo lieflijk als mijn marmeren beeld.’
Eenmaal thuis was hij zijn wens alweer vergeten, hij wilde alleen maar zijn geliefde kunstwerk zien. Daar lag ze, op zijn bed, een purperen doek over haar heen gedrapeerd. ‘Dag liefste,’ zei hij en hij snelde naar het beeld toe. Voorzichtig ging hij naast haar liggen, een kus op haar voorhoofd, haar wang, haar schouder. Hij legde zijn hand op haar heup en voelde haar huid, die met zijn hand meebewoog. Hij kon het kneden als bijenwas tussen zijn vingers. Pygmalion schrok, keek naar het gezicht van zijn beeld en zij keek terug. Geschokt legde hij twee vingers in haar hals, een duim op haar pols, en beide lichaamsdelen bevestigden hem wat hij niet voor mogelijk had durven houden; een hartslag. ‘Je leeft,’ fluisterde hij, al durfde hij het nog niet helemaal te geloven. ‘Ik leef,’ antwoordde ze, vertwijfeld en moeizaam.
Pygmalion begon hardop te lachen en kuste haar, zonder twijfel deze keer. Hij kuste elk stuk huid dat zijn lippen konden vinden, greep naar haar zachte vlees dat zo veel beter voelde dan het zorgvuldig gevormde marmer. Hij kuste haar mond, verlegen draaide ze haar hoofd weg, haar bleke huid leek zelfs te blozen. Het vervulde hem met trots dat hij de eerste man was die haar ooit had mogen kussen. ‘Je bent zo verlegen,’ glunderde hij, ‘zo lief.’ Het idee dat er bloed door haar aderen stroomde, deed zijn bloed sneller stromen. Kussen alleen hielden hem niet meer tevreden. Hij rolde bovenop haar, zijn mooiste creatie, en lachte. Zij keek hem aan en sloot, tevreden, afwachtend, haar ogen. Pygmalion voelde dat Venus aanwezig was, dat zij haar zegen uitsprak over hem en zijn geliefde. Het moment dat hij bij haar naar binnen ging, was het gelukkigste moment van zijn leven.