Café, avond. Op de achtergrond speelt een voetbalwedstrijd.
A
Wil je een bitterbal?
B
Mag ik niet, sorry.
A
O, vegetarisch?
B
Het is vegetariër.
A
Je bent vegetariër?
B
Nee. Ik bedoelde dat vegetarisch duidt op maaltijden zonder vlees, en een vegetariër is iemand die geen vlees eet. Een mens kan niet vegetarisch zijn.
A
O. Veganistisch dan? Of moet ik dan zeggen veganistiër?
B
Nee, dan zeg je gewoon veganist.
A
Maar je bent dus wel veganist?
B
Nee.
A
Halal?
B
Nee, het is niet halal. Maar daar ligt het niet aan.
A
Glutenallergie?
B
Ook niet.
A
Wat dan?
B
Niks. Ik vind bitterballen gewoon smerig.
A
Hoe dan?
B
Ze zijn gewoon zo zompig vanbinnen en je brandt iedere keer je hele bek open. Zulke dingen eet ik echt niet voor mijn plezier.
A
Maar je vindt ze dus gewoon niet lekker. Je mag ze wel.
B
Nee.
A
Waarom niet?
B
Ik mag van de psychiater alleen nog maar dingen doen die ik leuk vind. En bitterballen eten vind ik beslist niet leuk.
A
Jeetje. Heb je de psychiater dan ook maar meteen gedaan?
B
Jezus, wat een vraag.
A
Je snapt toch wel dat dat zijn doel was?
B
Mijn psychiater is een vrouw.
A
Haar doel, dan. Kan ook.
B
Nee, want dat had niet gemogen van haar. Ik vind het niet leuk om met vrouwen naar bed te gaan.
A
Smaakt te veel naar bitterbal, zeker?
B
Valt mee. Maar wel zompig.
A
Vind je het wel leuk om mosterd te eten?
B
Dat wel.
A
Nou, hier dan. Ik hoef het niet.
B
Te zompig voor je?
A
Nee, ik word gewoon akelig van de naam. Mosterd.
B
Mosterd.
A
Klinkt toch gewoon als een NSB’er?
B
Dat was Mussert.
A
Kan geen toeval zijn, toch?
B
Maar je mag wel mosterd?
A
Jawel, hoor. Kun je überhaupt allergisch zijn voor mosterd?
B
Ja. En bovendien is mosterd niet veganistisch.
A
Hoeveel dieren zijn er voor mosterd doodgegaan?
B
Hopelijk geen. Maar als het dijonmosterd is, zit er honing in. Dan hebben er allemaal arme bijen voor gewerkt die veel te weinig betaald hebben gekregen.
A
Is het dijonmosterd?
B
Geen idee. Ben geen mosterdconnaiseur.
A
Wel een mosterdconnoisseuse?
B
Dat bestaat hier niet. Dat bestaat alleen in Frankrijk.
A
Waar ben je dan wel een connaisseuse in?
B
Connaisseur.
A
Kenner.
B
Kenster.
A
Onzin.
B
Ja God, ik weet veel over treinen.
A
Meen je dat?
B
Nee. Ik weet wel veel over strafrecht.
A
Oh.
B
Ja. Vandaar dat ik nu bij de psychiater loop.
A
Toch niks geworden dan?
B
Aanvankelijk wel. Maar je kent het wel, dan was het je droom en stond iedereen achter je en was je vol goede moed en je twijfels stop je maar weg want die slaan natuurlijk nergens op en ineens zit je met een burnout.
A
Zal ik nog een bakje mosterd voor je bestellen?
B
Nee hoor, ik hoef er niet ook nog een eetstoornis bij.
A
Anorexia Moustarda.
B
Moustarde Obesitas.
A
Lijkt nergens op. Allebei niet.
B
Klopt.
A
Mijn schouder raakt heel snel uit de kom.
B
Wat?
A
Ja, ik dacht, jij hebt al een hekel aan bitterballen en abonnement bij de psychiater. Dan kan ik beter maar ook iets zeggen. Iets abnormaals.
B
En je houdt niet van mosterd.
A
Ook dat, ja.
B
Wel balen voor je.
A
Van de mosterd? Of mijn schouder?
B
Vooral je schouder, denk ik.
A
Ach, meestal schiet ‘ie alweer terug voor ik doorheb dat ie überhaupt uit de kom is gegaan.
B
Oh.
A
Word je wel blij van nacho’s?
B
Ja, dat wel.
A
Met of zonder vlees?
B
Met. Ik ben toch niet vegetarisch?